Gemeenschappelijk auteursrecht, een goed begin is het halve werk

Fotografie is lang niet altijd een solo-act, maar is juist een kans om samen te werken met anderen. Locatie, compositie en belich¬ting, het zijn allemaal keuzes waarbij geldt: twee weten meer dan één. Maar als je nou een foto maakt met meerdere fotografen, wie krijgt dan de auteursrechten daarop? En wat mag je dan met ‘jullie’ foto doen? Daarover gaat deze column. tekst: Jeroen Lubbers en Lisette Gotink, Dirkzwager advocaten

Foto: Duy-Pham © Unsplash

Gemeenschappelijke werken
In eerdere columns kwam al aan bod dat de auteurswet ‘werken’ beschermt. Een werk moet een ‘eigen, oorspronkelijk karakter’ hebben en het ‘persoonlijk stempel’ van de maker dragen. Een zekere mate van creativi­teit is voor bescherming door de auteurswet dus vereist. Het is echter goed denkbaar dat foto’s, of andere werken die door de auteurswet worden beschermd, niet worden gemaakt door één fotograaf of maker, maar door twee of zelfs meer personen. Creatieve keuzes worden vaak door meerdere personen gemaakt. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer een stylist de achtergrond of de compositie van de foto heeft samengesteld, of de outfit van het model heeft bepaald en de fotograaf het model vervolgens in verschillende poses op de gevoelige plaat zet. In het auteursrecht noem je dat een gemeenschappelijk werk. Niet iedereen die bijdraagt aan de totstand­koming van een foto wordt (mede-)auteurs­rechthebbende. Dat is slechts zo indien de individuele bijdrage(en) zelf voldoende ‘creatief’ is of zijn. Als voldoende creatief zou waarschijnlijk wel gelden: nadenken over de locatie en de achtergrond van de foto, of de opstelling van objecten of modellen. Daarentegen is het (alleen) ter beschikking stellen van lichtapparatuur op de set zeer waarschijnlijk onvoldoende creatief om recht te geven op een aandeel in het gemeenschappelijke auteursrecht.1

Ondeelbaar en onscheidbaar
Een gemeenschappelijk auteursrecht ontstaat alleen wanneer er sprake is van een ‘ondeel­bare’ foto. Ondeelbaar betekent dat het in de gemaakte foto niet meer mogelijk is om de afzonderlijke bijdragen van de fotografen te onderscheiden van het geheel. Dat wil zeggen dat de verschillende bijdragen aan de uiteindelijke foto niet los van elkaar beoor­deeld kunnen worden, omdat de creatieve bijdragen als het ware zijn samengesmolten tot één geheel: de foto. Is dit het geval, dan worden de individuele fotografen gezamen­lijk auteursrechthebbende op de foto. Overigens, als de individuele bijdragen van de fotografen daarentegen nog wél van elkaar onderscheiden kunnen worden, dan is er geen sprake van een gemeenschappelijk werk. We noemen dit dan een ‘samengesteld werk’. Een voorbeeld hiervan is de Focus die je nu leest: een tijdschrift met verschillende fotorapportages en artikelen. De fotograaf die zijn foto publiceert in Focus Magazine behoudt zijn auteursrechten, terwijl Focus een auteursrecht verkrijgt op het gehele magazine. Voor filmwerken geldt een afzon­derlijke wettelijke regeling: iedereen die bijdraagt aan een film draagt ‘automatisch’ zijn eventuele auteursrechten over aan de filmproducent.2 Daarover schreven wij al eerder.

Een gemeenschappelijk werk: wat nu?
Wat zijn nou de consequenties van een gemeenschappelijk auteursrecht? Net als bij de auteursrechten in één hand, geldt dat de gezamenlijk auteursrechthebbenden mogen bepalen wie hun foto’s mag hergebruiken en voor welke doeleinden. Maar bij een geza­menlijk auteursrecht heb je ook te maken met mede-rechthebbenden.
De wetgever heeft voor gemeenschappelijke werken een soort wettelijke ‘omgangsrege­ling’ vastgesteld (artikel 3:166 en volgende van het Burgerlijk Wetboek). Daarin staat beschreven welke rechten de afzonderlijke fotografen (de ‘deelgenoten’) hebben ten opzichte van elkaar, en wat zij met hun gezamenlijke goed mogen doen. Het uitgangspunt van de wet is dat de exploitatie van het auteursrecht slechts mogelijk is met instemming van álle deelgenoten. Als bijvoorbeeld één van de deelgenoten de foto wil publiceren, dan moet hij daarvoor toestemming krijgen van de overige deelgenoten. Bij werken die veel gepubliceerd worden, is dat natuurlijk een tijdrovende en wellicht vervelende situatie. In de praktijk zien wij daarom meestal dat gezamenlijk rechthebbenden afspraken maken over de exploitatie van het gezamenlijke werk, zodat de rechthebbenden niet alle exploitatiehan­delingen constant hoeven af te stemmen. Dat kan bijvoorbeeld door middel van een samenwerkingsovereenkomst. De gezamen­lijk rechthebbenden kunnen in een samen­werkingsovereenkomst allerlei afspraken vastleggen over de exploitatie en de verde­ling van inkomsten. Het voorgaande geldt niet bij inbreuken op het auteursrecht, bijvoorbeeld als de foto door een derde, en zonder toestemming van de rechthebbenden, online is gepubli­ceerd. Het wettelijke uitgangspunt is dat alle rechthebbenden individueel bevoegd zijn om op te treden tegen inbreukmakers. Hier­voor is dus geen instemmen vereist van de rechthebbenden gezamenlijk. Let wel: het is ook mogelijk om van deze hoofdregel af te wijken in een (samenwerkings)overeen­komst. De gezamenlijk rechthebbenden kunnen overeenkomen dat dat de hand­having van het auteursrecht slechts door één persoon geschiedt. Dat is in sommige gevallen ook wenselijk.

Deelgenoten komen er niet uit
Soms blijken de ambities van de andere deelgenoten niet overeen te komen met jouw eigen (exploitatie)wensen. Wij adviseren doorgaans om vóóraf, dus nog voordat jullie het gezamenlijke werk hebben gemaakt, afspraken te maken over een geschillen- en ‘exit-‘regeling: hoe gaan we ermee om als we er samen niet uitkomen, en – als het echt niet lukt het geschil te beslechten – hoe nemen we afscheid van elkaar? In zo’n regeling kun je bijvoorbeeld vastleggen dat het gezamenlijke auteursrecht tegen een uitkoopsom wordt overgedragen aan één persoon, en de nieuwe rechthebbende vervolgens een gebruikslicentie verstrekt (dus toestemming geeft de foto te exploi­teren) aan de ex-deelgenoten. Maar als het nu (al in de eerste plaats) niet is gelukt om tot een gezamenlijke regeling te komen, blijft het auteursrecht in een soort patstelling hangen: de individuele deelge­noten mogen het auteursrecht niet exploi­teren, terwijl het niet lukt om een regeling te treffen die dat wel mogelijk maakt. In dat geval is er altijd nog een wettelijk vangnet. Artikel 3:168 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat deelgenoten bevoegd zijn om de kanton­rechter te verzoeken een regeling vast te stellen, om de samenwerking tussen de deel­genoten te regelen. Bij het vaststellen van de voorwaarden van die regeling houdt de kantonrechter ‘naar billijkheid’ rekening met de belangen van alle deelgenoten, maar ook met het ‘algemeen belang’. De keuze voor de kantonrechter verdient wat ons betreft meestal niet de voorkeur, omdat je de beslis­sing op de voorwaarden van een regeling dan uit handen geeft.
Kortom, ga bij het aangaan van een samen­werking met anderen na of er mogelijk een gemeenschappelijk auteursrecht tot stand zal komen, en spreek met je samenwerkings­partners af wie de foto mag hergebruiken, voor welke doeleinden en tegen welke voor­waarden. Zo voorkom je vervelende verras­singen achteraf.

Noten
1. Het verschaffen van materiaal kan wel relevant zijn voor de vraag of de verschaffer mede-rechthebbende is geworden, mits hij ook op een ‘creatieve wijze heeft bijgedragen aan de totstandkoming van het werk’.

2. Zie artikel 45d Auteurswet. Zonder deze ‘automatische’ overdracht zou zich namelijk de situatie voordoen dat alle makers van een film toestemming moeten geven voor de openbaarmaking van de film, doordat alle makers van de film zonder deze regeling een gemeenschappelijk auteursrecht verkrijgen.

Deze aflevering is verschenen in Focus maart 2019

Geef een reactie