Veel mensen fotograferen op de automatische stand en zijn tevreden met het resultaat. Toch merk je op een gegeven moment dat de camera keuzes maakt die je zelf anders had gewild. De achtergrond is te scherp, een bewegend kind is bewogen, of een avondfoto is korrelig. Wie de drie basisinstellingen begrijpt, krijgt daar grip op. Het gaat om diafragma, sluitertijd en ISO.
Het diafragma is de opening in het objectief waar het licht doorheen valt. De waarde wordt uitgedrukt in een f-getal. Een laag getal betekent een grote opening en veel licht. Het effect dat je daarbij ziet is een onscherpe achtergrond, prettig bij portretten. Een hoog f-getal geeft een kleine opening en een grote scherptediepte, handig bij landschappen waar je alles van voor tot achter scherp wilt.
De sluitertijd bepaalt hoe lang de sensor licht opvangt. Een korte sluitertijd bevriest beweging, denk aan sport of spelende kinderen. Een lange sluitertijd laat beweging zien als een veeg, bijvoorbeeld bij stromend water of lichtsporen van verkeer in de avond. Bij lange sluitertijden heb je een statief of een stabiele ondergrond nodig, anders beweegt de camera zelf mee.
Met ISO stel je in hoe gevoelig de sensor reageert. Een lage waarde geeft het schoonste beeld. Een hoge waarde maakt fotograferen bij weinig licht mogelijk, maar levert meer ruis op. Moderne camera's en telefoons gaan daar steeds beter mee om, maar het principe blijft hetzelfde.
De drie instellingen hangen samen. Verander je er een, dan moet je een andere aanpassen om dezelfde belichting te houden. Begin met de halfautomatische standen, waarbij je een waarde zelf kiest en de camera de rest regelt. Zo leer je stap voor stap wat elke knop doet, zonder dat elke foto mislukt.